ZinInZicht praktijk voor levensoriŽntatie en geestelijke verzorging

Joke verteld

Verhaal over de ervaringen van mantelzorger Hanna van Veenendaal. Als geestelijk verzorger van een verpleeghuis bezoekt Joke jarenlang de bewoners. Ze ontmoet ook hun partner, zoon, zuster of dochter. Het valt haar op hoe deze mantelzorgers vol liefde hun naaste verzorgen. Joke ziet dat ze geplaagd worden door schuld en schaamte, omdat ze de zorg thuis niet meer aankonden. Ze besluit hun ervaringen op te schrijven en te delen, zodat er meer begrip en herkenning komt voor de vier miljoen mantelzorgers die ons land telt.

Hanna’s vader ontdekt Alzheimer (1)

“Op de dag dat ik, samen met mijn zus, mijn vader wegbreng naar het verpleeghuis slaat de twijfel toe. Want terwijl we bezig zijn met een intakegesprek, hoor ik mijn vader duidelijk een zin zeggen. Iets dat al heel lang niet meer lukte. Mijn eerste gedachte is: ‘O, papa hoort hier nog niet. Wat zijn we aan het doen?’ Het liefst zou ik zo mijn vader willen meenemen, terug naar huis, terug naar zijn vrouw. Maar dan realiseer ik me weer dat we ook terug zouden gaan naar de steeds verder verslechterende situatie.”

Alzheimer
Als je Hanna vraagt naar haar ervaringen als mantelzorger voor haar vader herinnert ze zich direct deze ingrijpende gebeurtenis. Hanna’s vader had Alzheimer. De ziekte openbaart zich als hij 69 jaar is. Vijf jaar later lukt het niet langer meer om thuis te blijven. Na twee jaar verpleeghuis is Karel Van Veenendaal overleden.

De eerste verschijnselen bemerkt Hanna’s vader zelf. Regelmatig doet hij boodschappen voor zijn vrouw, die hij op handen draagt. Hij realiseert zich echter steeds vaker dat er iets niet klopt. Hij gaat bijvoorbeeld naar het postkantoor om postzegels te kopen, maar komt thuis met briefkaarten.

Hanna: “Mijn vader kreeg ook moeite de juiste woorden te vinden en toen hij dacht alleen te zijn, hoorde ik mijn vader zeggen: ‘Er is iets niet goed in mijn kop’. Onbegrijpelijk voor ons – ook nu nog – is dat mijn vader zonder iets met ons te bespreken naar de dokter is gegaan. Hij is altijd heel realistisch geweest en radicaal in zijn handelen, maar waarom hij het aanvankelijk voor zichzelf hield? Ik vraag me ook af of mijn moeder heeft gezien dat het niet goed meer ging of dat ze, wellicht meer naar haar aard, het niet heeft willen zien.”

Na overleg met haar zusje Inge, stapt Hanna op een gegeven moment zelf ook naar de dokter. Ook dit gebeurt zonder dat haar ouders daarvan op de hoogte zijn. Bij de huisarts hoort ze dat haar vader dus zelf ook om raad is gekomen. Dit is het moment dat ze meer open kunnen zijn over wat er mogelijk aan de hand is. Toch wordt het delen met elkaar steeds lastiger, omdat vader de woorden niet meer goed kan vinden en niet begrijpt waarom zijn vrouw en dochters hem niet begrijpen.

‘Papa hoort hier nog niet. Wat zijn we aan het doen?’

Hanna’s vader
Zo realistisch als Hanna’s vader is, zo weinig is haar moeder Anna dat. Het liefst buigt ze zich naar een andere kant, daar waar het allemaal nog rimpelloos lijkt. In een passieve houding ondergaat ze de groeiende rimpelingen in hun bestaan. Bij rimpelingen alleen blijft het echter niet; bij tijd en wijle worden het golven die alle betrokkenen dreigen te overspoelen. Zo wil Hanna’s vader menigmaal niet naar bed. Hij begrijpt niet dat hij in zijn eigen huis woont. Het enige wat hij dan blijft zeggen is: ‘Ik wil naar huis’. Hanna’s moeder belt dan teneinde raad dochter Hanna op voor hulp.

Hanna: “Vaak ging ik dan naar mijn ouderlijk huis toe om te kijken hoe ik een handje kon helpen. Ik kwam op het idee om met hem een stukje buiten te gaan wandelen. Regelmatig liepen we dan een blokje om en als we dan weer in zijn straat aankwamen, herkende hij zijn huis – waar hij 53 jaar gewoond had – en riep dan opgelucht uit: ‘Hier woon ik’. Ik bracht mijn vader naar bed, waar mijn moeder al wachtte. Bijzonder vond ik het dat mijn vader tijdens die nachtelijke wandelingetjes zijn kerk bleef herkennen, ook toen het steeds verder verduisterde in zijn hoofd. Als we langs de kerk liepen, zei papa vaak ontroerd: ‘Hier mag ik altijd naar binnen.’

Verder lezen?  Zo gaat het niet langer (2)